Howlgedicht over Sarina

Sarina het kind uit de dessa ; ik schaam me rot en als een zot
beluister ik het heimwee naar het oude Indië, alsof je niet meer weet
hoe menig koloniaal ellendeling daar grof zijn dagen sleet.
En zelf was je er ook en wel een goeie vent maar iedereen beseft
waar rook is heb je vuur en menig uur bracht ik met Indisch vlees
onder de klamboe door. Hoor, hoor en daarom nu misschien leed
ik nog meer, jawel mijnheer, toen ik het  oude lied weer hoorde.
Want oud geworden heb ik wel beseft dat wat onschuldig leek
in jeugd, in ouderdom en bij het groot getij der woeste baren
van oorlog en van vijandschap toch wreed en naar het bleek
in ander licht verschijnt. De tijger is geen flauwekul en vreet
nu aan mijn ziel. Sarina is weer naar haar hut gegaan en daar
vandaan vertrok ik naar het vaderland en aan de kant der weg
liet ik de resten liggen van brand en van een wingewest in puin.

En welk een flauwekul schrijf je hier neer, jawel mijnheer en toch …
zit er een sprankje waarheid in. Kijk naar ’t begin toen Coen op
Banda moordde en later in het Atjehse ging Heutz tekeer.
O Lieve Heer, wat heeft dat met mijn liefde in het dorp te maken?
Niet alteveel, heeft Daendels niet de postweg door Java aangelegd?
Is niet veel goeds tot stand gebracht? Nou dan! Zonder gevecht
ook recht gedaan? En al die indo’s allemaal uit haat geboren?
Toch als je ’t poëtisch zegt dan zie je wel, te laken valt er iets.

Maar bij het luisteren naar dit lied komt toch de waarheid boven.
‘k Herinner me dat ik in Indië nooit verkeerde en op de school
slechts hoorde dat het was een paradijs, een gordel van smaragd.
En droomde dat ik daar mocht zijn en iedereen was goed, zo dool
je door geschiedenis en verre landen met een lach en diep gevoel
zie ik dat Indië toch maar heeft gebracht een melodie die
in het hart een snaar raakt en me bijna schreien laat.
Jij dwaas, verdwaal je hier in het plezier van sentimentaliteit?


 

Plaats een reactie