Soldaatjes en officier

(Uit Jaguar eet Toucan): 

Wanneer in dit door een militair regime geregeerd land een legerofficier zijn liftende hand opsteekt, dan stop je wel. Het gebaar heeft ook meer van een bevel -halt!- en zijn broek hangt scheef over de dikke heupen omdat er een zwaar wapen aan hangt. Mijn god; is alles in orde?
De officier geeft aan dat hij mee wil rijden naar Puerto Casado­. Nee zeggen is moeilijk en hij zou er ook niets van begrijpen, de onsmakelijke dikzak met een grote mond. Als een pasja nestelt hij zich op de bank naast me en hoort me uit. Waar ik werk, wil hij weten en wat ik in zijn land doe. ‘t Is een mooi land nietwaar en ik zie zeker wel dat het streng en rechtvaar­dig wordt geregeerd. Jaja, daarom gaat het ook de goede kant op. Overal zie je progressie en vooruitgang. En nu, bij de viering van de Honderdjarige Herdenking van de Grote Maar­schalk, van de nationale Napoleon, wordt weer een extra sti­mulans aan de ontwikkeling toegevoegd. Die viering wil heel wat zeggen en laat weer eens zien op welke heroïsche geschie­denis het vaderland is gegrondvest.
Binnen twee minuten heb ik al bijna het gevoel dat mijn auto de zijne is. Hoge militairen eigenen zich hier de zaken makkelijk toe en dat is aan manier van spreken al heel duidelijk te merken. “‘t Is een klootzak,” concludeer ik. “Val dood,” denk ik terwijl ik kort op zijn geraaskal inga, een beetje “hmm” mompel en “si” zeg.
Wanneer hij merkt dat ik voor een Grote Internationale Organisatie werk doet hij z’n best om zijn toon wat te matigen, maar dat lukt niet best. Hij is er nu eenmaal in getraind om van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat de baas te spelen.
Op een gegeven moment zegt-ie: “Aqui.”
Hij wil eruit maar mijn Spaans is nog niet zo perfekt en ik rijd door terwijl ik zeg: “Que dice, Ud? No entiendo.”, hetgeen betekent: “Wat zegt u? Ik begrijp het niet.”
Nu snauwt hij: “Aqui, para.”, “Hier, sta stil.” en het lijkt me toch wel verstandig om dat nu maar te doen. In ieder geval moet hij meer dan honderd meter teruglopen en dat zal hem geen kwaad doen. Veel te dik hijst zich puffend uit de wagen. Net zomin als ik hem mag, mag hij mij. We voelen het wel van elkaar, maar nemen beminnelijk af­scheid. “Adios”, zegt-ie kortaf en ook ik wens hem beleefd goedendag.

Hoe komen al die generaals, kolonels, majoors, aan hun soldaatjes, vraag je je af. Geen idee; het enige wat ik ervan weet is het volgende, maar dat gaat om drie man en is misschien wel een uitzondering.
Drie soldaatjes waren geronseld. Zomaar uit het bos gehaald. Van het ene moment op het andere gestrikt en hier staan ze nou met een sergeant en twee andere soldaatjes. Échte, al in het bezit van een geweer. We ontmoeten ze aan een primitieve toonbank waar ze een cola’tje van de sergeant krijgen. Dat konden ze zich tot voor kort niet veroorloven en het eerste leed is al een beetje geleden. Het afscheid van de familie ligt achter,de toekomst voor hen. Niet dat het leven van een soldaat in dit land erg comfortabel is, eerder het omge­keerde, maar dat valt nog te ontdekken. Ze voelen zich knap onwennig maar worden vriendelijk behandeld. Er wordt al gelachen. Het drillen, de vernedering en het eentonige kazernevoedsel komen later wel.
De mentaliteit, hoe zou het daarmee gaan? Zouden het boeren blijven of echte soldaten worden? Misschien wel rotzakken, dat is ook niet ondenkbaar.
Eindelijk zullen ze eens wat macht proeven. Er zijn zelfs situaties waar ze zeer machtig zullen zijn en iedereen maar naar ze te luisteren heeft.
Doorlopen! Stilstaan! Gaan zitten!

Ze doen een beetje stoer. De señor sergeant was er ineens en zei dat ze in dienst moesten. Het vaderland behoort verdedigd te worden en het is een hele eer om in het leger te worden opgenomen. “Of ze dat niet wisten?”
“Si señor.”
“Nou jongens, we moeten maar eens verder. ‘t Is nog een eind lopen. Gelijk een goeie oefening. Vannacht slapen we ergens onderweg en morgen, in Puerto Casado, staat er wel een leger­au­to. Hop, alle recruten erin en naar de kazerne.”

 

Plaats een reactie