Het dorp aan de rivier

(Uit Jaguar eet Toucan):  

Omringd door oerwoud en enkele verspreide hacienda’s ligt, niet erg ver van de gehuchten, een dorp aan de rivier. Door een zwaar groen kleed is het dorp van de buitenwereld afgesloten. Een centrum heeft het eigenlijk niet. Overal staan struiken in het harde groene gras en soms een enkele boom. De stoffige zandpaden veranderen na iedere regenbui in modderige poelen om daarna weer tot roodgele stofwegen op te drogen. Overal zie je de harde puntige termietenheuvels. De op Zebu’s lijkende Nelorikoeien slenteren de dag door, vergezeld van geiten en muildieren. In de ochtend: al heel vroeg grote opera waarbij de hanen tegen elkaar opkraaien om vervolgens met de borst vooruit de dag door te scharrelen tussen de kippen, guinea-hennen, ganzen en eenden op de takafgepaalde erfjes.
Iedere zaterdag wordt er bij de enige winkel een koe geslacht. De klanten zijn al vroeg komen opdagen en kijken toe hoe de slachter het beest een groot scherp mes tussen de wervels steekt om het daarna, als het op de knieën zinkt, met een forse haal te onthalzen. Dan wordt het dier gevild en wijzen de mensen aan welk stuk vlees ze willen hebben. Binnen een uur is het dier verkocht.
De koeien zorgen hier voor veel vermaak. Op de naamdag van het dorp wordt er een corral gebouwd en van de omliggende hacienda’s en uit de wijde omgeving stroomt het volk toe. De driejarige stieren worden door het jongvolk opgejaagd en met lasso’s gevangen.
Een andere kunst is het berijden van stieren. Vanaf de omheining springen de peones op de beesten die schuimbekkend proberen hen van zich af te werpen. Onder veel gejoel klemmen de koeienjongens zich vast en enkelen weten het gevecht behoorlijk lang vol te houden. Maar naarmate het later wordt verruwd het spektakel. Bezopen grappen en grollen weerkaatsen tegen middaglucht en houten heining en rollen met de mannen door het zand van de arena.
De winkel is eigendom van de man die, als het zo uitkomt, ook gasten herbergt. Hij geeft kredieten aan de boeren, koopt hun producten op en verhuurt karren. ‘t Is de kapitalist hier en hij geniet heel wat aanzien. Dat is aan zijn uiterlijk niet te zien, want hij ziet er uit als de minste onder de minsten. Hij scharrelt de hele dag rond terwijl hij god-weet-wat voor zaakjes regelt.
‘t Is geen ongeschikte kerel, maar de boertjes zijn erg afhankelijk van hem en hij kan ze maken en breken. Wordt het zaaitijd dan moeten ze het zaaigoed van hem kopen omdat ze nog in het krijt staan. Is het oogsttijd dan koopt hij hun produkt op tegen een prijs die altijd wel onder de officiële marktprijs ligt. Van de buitenlandse experts trekt hij voordeel omdat ze bij hem logeren. In het “hotel” De Drie Koningen, een eenvoudige bedoening , binnen de kortste keren om te toveren in een feestzaal.
Op deze plek is Juan doodgeschoten door de plaatselijke politieman die er niet eens zoveel aan kon doen. Toen hij na een rodeo een ruzie wilde beslechten was het allemaal flink uit de hand gelopen. Hij werd bedreigd. Hoe gaat dat! Misschien had hij niet moeten schieten, maar ‘t was gebeurd in de hitte, tussen het gevloek en getier en de met bloed doorlopen ogen en messentrekkerij in. Ze hadden hem een half jaar opgesloten in de hoofdstad, waar hij nog wel eens een luchtje kon scheppen. Een wijs besluit. Het wekte begrip voor zijn situatie, delgde de schuld en nu oefent hij weer de dienst uit.
Meestal gaat hij de rivier op om te vissen.

Geregeld vangen de boeren ocelotkatten. ‘t Zijn vertederende beestjes en als ze je de ogen niet uit het hoofd krabben zou je ze graag als huisdiertje meenemen. Ze worden voor¬al in klemmen gevangen. Het pelsje is geld waard en daar is gebrek aan. Ook vlees is een zeldzaam artikel. Maar als wij langs komen krijgen we altijd kip voorgezet waarvan de vreemdeling de halfrode stukken met gele vetranden kokhalzend opeet, terwijl het hele gezin verbaasd toekijkt hoe hij met kleine hapjes weinig verorbert. Deze lekkernij immers eten zij maar zelden. Als het bordje eindelijk leeg is, vragen ze: “Queire más?” – “Wil je meer?” Weigeren is godsonmogelijk.
Ach iedereen heeft zo zijn angsten. Voor de één is het halfgekookte kip en voor een ander weer het vrije woord! De gastvrijheid is groot en wanneer je na een dag zwerven ergens aankomt zullen de bewoners je altijd uitnodigen. Het vuur wordt aangestoken, de maaltijd klaargemaakt, een pinga ingeschonken en daarna vertelt men verhalen. Bij het slapen gaan biedt de gastheer je zijn bed aan terwijl hij zelf op de grond gaat liggen.
De ratten knabbelen aan je tenen. Of is het misschien de Pombero? Een nachtelijke geest die nagaat of je geen kwaad in de zin hebt? Vreemde klanken klinken in het bos. Van grote katten en katuilen, van warm- en koudbloedigen, van demonen. Af en toe roept een enkele heilige.

De boeren hebben geen wapens, behalve machetes, maar die dienen eigenlijk om de ondergroei weg te hakken en voor allerlei hand- en spandiensten. Als er al mee gevochten wordt dan is het meestal in dronkenschap. De vreemdelingen, de lui van de houtkap en nog wat van die baasjes lopen met revolvers rond. ‘t Zijn altijd kerels van buiten de streek en ze hebben
veel praats. De boeren zijn veel bescheidener. Al te bescheiden misschien; daar steekt een geschiedenis achter. De vreemdeling zei eens, bij het constateren van alweer een gebroken belofte, het horen van alweer een onrechtvaardigheid: “Verdomme, waarom maken jullie geen revolutie?” Dáár stonden ze van te kijken. Ze draaiden wat met de voeten in het zand en zeiden: “Haha, die señor.”

Het land is erg warm en ligt dicht bij de poorten van de hel. Donkere hitte dringt door de kieren. In de winter waaien er koude winden die van de pampa komen en ‘s nachts is het behoorlijk fris. Gelukkig maar dat de mensen hier worden geboren met dikke lagen eelt onder hun voeten, want schoenen hebben ze niet. Ze spreken een mooie zachte taal. Ontmoet je ze dan zeggen ze mbaichaba, hetgeen goedendag wil zeggen. Hoort u het? Mbaichaba.
Y betekent water en ita, rots. Onze woorden tapir en jaguar komen uit deze taal. ‘s Avonds valt de stilte over het dorp. Je gaat in de buitenlucht op zo’n gastvrij bed liggen, gemaakt van bamboe en leren riemen. Hoog kijk je de heldere hemel in die zich uitstrekt naar een onbekende God die in tongen spreekt die lichtend in myriadenvoud aan de hemel staan. Zie daar; het Zuiderkruis, een zucht in het heelal en vast een teken van liefde.
De nachtelijke stilte blaast zo zijn liedje: Galaxie/ wie staat je toe/ te toeven/ tussen andere melkwegen? Het antwoord ruist door het oerwoud: Hou je van/ het heelal/of kan/ het je niet schelen?


 

Plaats een reactie